Welke soort werknemer ben jij?

Werknemers heb je in allerlei soorten. Iedereen heeft zijn kwaliteiten, maar ook zijn minpunten. Weet jij waar je goed in bent? En misschien nog wel belangrijker: Weet jij wat een zwak punt is van jou als werknemer?

Na het beantwoorden van 10 vragen, kom je erachter welke soort werknemer jij bent.

1. Jouw leidinggevende komt naar je toe met een nieuw project. Ze geeft je deze 3 woorden: ‘Zakelijk, re-integratie, evenement’. Wat doe je?
A) Ik ga informeren naar ideeën bij mijn collega’s.
B) Ik ga inspiratie opdoen door te zoeken in offline en online media.
C) Er schiet direct van alles door je hoofd en kladdert het snel op een blaadje.
D) Je begint direct met een plan opstellen. Online ga je zoeken naar een spreker, een locatie en begin je aan een draaiboek.
E) Je laat de woorden op je inzinken. Dan maak je een aantal korte schetsen en opties voor mogelijke evenementen.

2. Als je jouw bureau ziet, dan zie je?
A) Op mijn bureau staan koffiekopjes en een pot met snoepjes. En die snoepjes eet ik niet alleen. Mijn collega’s helpen me daarbij!
B) Overal liggen inspiratiebronnen. Ik heb alles nodig!
C) Grote. Chaos. Maar ik voel me er thuis.
D) Alles wat er ligt, is te verantwoorden. De rekenmachine is voor het berekenen van budgetten en daar rechts ligt de bel-lijst die ik zo ga afwerken.
E) Mijn bureau is leeg, op een pennenbak en een kalender na.

3. Ben jij ten alle tijden aan het werk?
A) Zeker! Ze mogen me altijd bellen als je iets kwijt willen, of als ze hulp nodig hebben bij het werk!
B) De gekste ideeën komen op de gekste momenten, dus het komt regelmatig voor dat ik ‘s avonds thuis nog iets aan werk doe.
C) Ik bedenk me vaak dat ik nog dingen ben vergeten, dus dan maak ik dat eerst even af voor ik afgeleid wordt en het weer vergeet.
D) Als ik nog niet klaar ben na 17:00, ga ik door tot het af is. Ik ga niet eerder weg dan dat ik mijn to-do lijst heb afgewerkt. Maar dan is de avond wel voor mij.
E) Nee, van 08:30 tot 17:00. Daarna denk ik misschien nog na over dingen, maar ik ben niet bereikbaar of aan het werk.

4. Jouw collega komt naar je bureau en vraagt of je iemand al terug hebt gebeld?
A) Staat nog op mijn lijst, dus ik vertel mijn collega dit zo snel mogelijk te doen. Maar eerst vraag ik mijn collega hoe haar doktersafspraak gisteren ging.
B) O, dat moet ik inderdaad nog doen. Maar ik heb ook nog een vraag voor die persoon dus dat kan ik mooi combineren.
C) Terugbellen? Je had een briefje neergelegd op mijn bureau zeg je? Ja, die moet ik eerst even opzoeken. Ik ga zo bellen.
D) Al gebeld en al besproken hoe we dit gaan aanpakken!
E) Ik heb gelijk gebeld toen ik de notitie zag. Dank je wel.

5. Tijdens een brainstormsessie, ben ik…
A) Op de achtergrond. Eerst even kijken waar de rest mee komt en de rest aan het woord laten.
B) Kom ik met het ene na het andere idee met een oplossing of een mogelijkheid.
C) Weet ik niet goed waar ik moet beginnen. Misschien kan deze optie, al klinkt dit ook goed…
D) Kom ik direct ter zaken. Niet door elkaar roepen. We werken gezamenlijk een plan uit.
E) Ik hoor eerst alle opties aan en ben al bezig hier een vaste opstelling in te maken. Zo komen alle/de beste plannen aanbod en kunnen we de gevonden informatie goed gebruiken.

6. Naar een vergadering neem ik mee:
A) Een beker koffie. Net gehaald, samen met wat andere collega’s.
B) Een notitieblok, een pen, een potlood en misschien nog wat kleuren potloden of markers, zodat ik direct dingen kan uitwerken.
C) Euhm, een vergadering? Nu? Ja, ik pak mijn notitieblok en ik kom!
D) Ik neem mijn laptop mee en heb daar al plannen op openstaan die ik graag wil bespreken.
E) Ik neem mijn laptop mee zodat ik alles kan noteren wat er gezegd wordt. Ik wil niks missen.

7. Jouw collega’s vinden jou…
A) Aardig! Ik probeer met iedereen een praatje te maken, zodat iedereen zich welkom voelt bij mij!
B) Ik bedenk de gekste dingen en haal overal inspiratie uit.
C) Ik ben bang dat ze me chaotisch vinden. Mijn bureau is niet echt opgeruimd en ik vergeet wel eens wat.
D) Een aanpakker. Ik wil dingen snel en praktisch afmaken en zorgen dat de tijd zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt.
E) Een denker. Ik handel nooit direct en denk vaak na over mijn vervolgstappen voor ik iets onderneem.

8. Wat vind je het leukste aan jouw werk?
A) Ik heb hele leuke collega’s die het werk enorm leuk maken!
B) De mogelijkheden zijn oneindig en daarom is het nooit saai.
C) Er is genoeg te doen en ik wil overal bij helpen.
D) Er zijn mooie kansen die ik graag benut.
E) Er is genoeg denkstof en informatie om mooie dingen uit te halen.

9. Wat is het eerste dat je doet zodra je binnenkomt voor een nieuwe werkdag na het weekend?
A) Een rondje langs mijn collega’s om te vragen hoe hun weekend was.
B) Ik start mijn computer op en sla meteen mijn notitieblok open om een aantal dingen op te schrijven die me in het weekend te binnen schoten.
C) Ik probeer een plekje te zoeken waar ik mijn kop koffie neer kan zetten op mijn bureau en kijk dan in mijn agenda naar mijn afspraken voor die dag.
D) Ik heb in de auto naar werk al een paar telefoontjes gedaan en begin op kantoor gelijk aan mijn to-do lijst.
E) Ik start mijn computer op en schrijf wat dingen uit die ik van het weekend heb bedacht. Niet dat het al af is hoor, ik ben over een paar zaken nog niet uit.

10. Mijn ideale kantoor ziet er zo uit:
A) Een huiskamergevoel. Een bureau, een zitplek en een gezellige omgeving.
B) Gezellig, inspiratieplaten aan de muur en genoeg ruimte om projecten uit te werken met de hand.
C) Een bureau waar ik achter kan werken en genoeg ruimte om al mijn blaadjes en dingen op te bergen.
D) Ik heb niet veel nodig, een bureau waaraan ik kan zitten met eventueel een collega is voldoende.
E) Strak, rustig en overzichtelijk.


Voornamelijk ‘A’:
Je bent een sociale werknemer.
Je vind het fijn om met jouw collega’s in contact te komen en gelooft in wederzijds respect. Je bent van mening dat fijn contact leidt tot betere werkprestaties.
Let erop dat de contacten wel in het voordeel voor de organisatie blijven. Teveel conversatie kan leiden tot achterstallig werk.

Voornamelijk ‘B’:
Je bent een creatieve werknemer.
Met creativiteit kom je tot een hoop oplossingen voor de problemen die je tegenkomt. Je bent het liefste in de weer met papier en andere creatieve vormen om jouw werk te doen en houdt niet van standaard ‘saai’ werk.
Let erop dat sommige zaken niet altijd creatief opgelost kunnen worden. Soms is het nodige invoerwerk nodig om verder te komen.

Voornamelijk ‘C’:
Je bent een chaotische werknemer.
Uiteindelijk ben je wel bij de vergadering, of rond je het project wel af, maar de weg daarnaartoe is soms wat chaotisch.
Probeer wat structuur aan te brengen in jouw werkwijze. Een aantal dingen op de vaste plekken (zoals een to-do lijst aan jouw computerscherm) of een vast moment voor sommige dingen (vrijdagmiddag het bureau opruimen om op maandag fris te beginnen), kunnen jou al helpen om overzichtelijker te werk te gaan.

Voornamelijk ‘D’:
Je bent een aanpakker.
Stilzitten is niks voor jou en zodra je informatie hebt, wil je dit meteen gebruiken en aan de slag. Je hebt alles onder controle en niks blijft onbenut.
Houdt er rekening mee dat er best fouten gemaakt mogen worden of dat dingen niet altijd een bedoelingen moeten hebben. Geef jezelf de ruimte om te groeien.

Voornamelijk ‘E’:
Je bent een denker.
Alle informatie noteer je en niks gaat aan je voorbij. Maar over elk plan, elke stap, denk je na. Alles moet tot in de puntjes kloppen voordat jij het plan gaat uitvoeren.
Niet alles is te voorspellen of uit te denken. Wees niet boos op jezelf als je een bepaalde situatie niet had zien aankomen of niet aan alle informatie kan komen die je wil hebben. Neem af en toe een risico om ervan te leren.

Terug naar het overzicht